Oliemolen

Uit SHGwiki

Ga naar: navigatie, zoeken

De Oliemolen, ook wel aangeduid als Wirremolen, Vehrmolle of Vermolen, was gelegen aan de Molenbeek net ten westen van de plek waar deze nu de Vermolenweg kruist.


De oliemolen

De voormalige Oliemolen



Op 20 augustus 1999 verscheen het volgende artikel in Op en rond De Essen over de Vehrmolle:

De Vehrmolle van de Van Gheijsterens

Onbeduidend ligt ie er bij. Idyllisch weliswaar,maar onbeduidend. Een stroompje van niks eigenlijk. En toch heeft deze beek een centrale rol gespeeld in de Geesterense geschiedenis. Omdat hij voldoende stroomde om een watermolen aan te drijven. Wat heet! Eeuwenlang dreef hij er twee en een tijd lang zelfs drie aan. Logisch dat je dan in de volksmond de Molenbeek gaat heten.

Al in de vroege 14de eeuw deed hij schoepenraden draaien: in de boeken wordt in 1323 de Wirremolen genoemd, in later jaren ook wel aangeduid als Vehrmolle, Verremoele, Verre Molen en Vermolen. Het is de naamgever van de Vermolen en de eerste weg die we deze keer aandoen in de tocht langs Geesterense wegen: de Vermolenweg.

Voor de oorsprong van de naam zijn diverse verklaringen aangedragen. Een er van is dat de molen werd gebouwd nabij een doorwaadbare plaats, ook wel "veer" genoemd. Hoe dan ook, het is zeer aannemelijk dat de Wirremolen en de verder stroomopwaarts gelegen Naerre Molen aanvankelijk in bezit waren van de familie van Gheijsteren. Zeker omdat het in die tijden alleen edelen of kloosterlingen waren die molens mochten bouwen en in werking hebben. En de Van Gheijsterens waren wat werd genoemd landadel. Niet direct de meest invloedrijke, maar toch! Al in 1207 worden ze genoemd. En in 1227 laat Roeriek van Gheijsteren het leven als het leger van de bisschop van Utrecht bij Ane in de pan wordt gehakt door roofridder Rudolph van Coevorden. De opvolger van Roeriek raakt vervolgens in geldnood en verkoopt De Hof te Gheijsteren in 1268 aan de graaf van Almelo. Wanneer een nazaat van de graaf in 1323 zijn bezittingen aan zijn zonen nalaat, gaat de Wirremolen naar de ene en De Hof naar een andere erfgenaam. De Verremolen was eeuwenlang in gebruik als oliemolen. Vanuit wijde omgeving brachten boeren er hun kool- en vlaszaad naar toe om er de olie uit te laten persen. Die olie werd gebruikt voor consumptie maar was ook geschikt als smeerolie of lampolie. De overblijvende koek werd aan het vee gevoerd. We maken even een onvermijdelijke zijsprong naar de verder stroomopwaarts gelegen Naerre Molen, ook wel aangeduid als Norderneule of Noordmolen. Deze was vrijwel even oud als de Vermolen, en in gebruik als korenmolen. Het is dan ook niet toevallig dat we rondom de plek van deze voormalige molen, bijnamen tegenkomen als Molnboer, Watermulder en Waterbakker!

We keren van de Muldersboek terug naar de Vermolen. In de loop van de eeuwen kende de Vermolen vele eigenaren. Een van de meest illustere was hopman Boeymer. Boeymer stond in de tachtigjarige oorlog als katholiek zijnde aan de kant van de Spanjaarden. Hij was het die in 1597 als gouverneur van Oldenzaal de stad moest overgeven aan Prins Maurits. Boeymer bouwde rond 1600 een huis in de buurt van de Vermolen.

Na zijn dood kwam het huis rond 1665 in bezit van ene Jan Eylers. Een koopman die vermoedelijk uit de regio Oldenzaal/Ootmarsum kwam. Eylers kreeg een tiental jaren later ook de beide molens aan de Molenbeek in bezit. Hij was een vermogend man en bouwde het huis uit tot een soort havezathe. Eylers werd verlaten door zijn echtgenote en overleed kinderloos in 1706. Erfgenamen stelden in 1717 een deel van het huis beschikbaar voor het vieren van kerkdiensten. Het werd daarmee het eerste kerkhuis van Geesteren. De naam van Jan Eylers leeft voort omdat in latere jaren een zandweggetje dat in de volksmond als de Leemsteg te boek stond, naar hem werd vernoemd: de Eylersweg Het is die Eylersweg die de Vermolenweg met de Bragersweg verbindt. Genoemd naar het erve brager. Het is een vrij jong erf. In het markeboek wordt het niet genoemd en de familienaam Brager duikt pas op in de 18de eeuw, in 1705 om precies te zijn, wanneer de markenrichter zich in een brief aan Gedeputeerde Staten van Overijssel beklaagt over een aantal rnarkebewoners die hun boerrente niet willen betalen. Onder hen ene Brager die 10 gulden schuldig is. Deze Brager was het, zo blijkt verder uit de brief, bovendien verboden een paard te houden, maar hij hield zich daar niet aan. In de 19de eeuw was er bij het erf 100 hectare bouwgrond, waarop rogge, boekweit en aardappelen werden verbouwd. De Bragers hadden ruim 100 schapen, 2 paarden en 10 tot 12 stuks vee.

Er resteren ons twee wegen in de Vermolenboek: de Broekbeekweg en de Heetkampsweg. De Broekbeekweg is vernoemd naar de gelijknamige beek. De naam wil zoveel zeggen als "beek die door een lager gelegen, drassig gebied (broek) stroomt. De Molenbeek overigens, wordt stroomopwaarts ook wel Broekbeek genoemd. De Heetkampsweg is vernoemd naar een stuk heide (heet), dat links en rechts van de Vermolenweg lag, ter hoogte van waar nu de tennisbanen liggen. Toen vanwege het toenemende vrachtverkeer de zandweg achter de fabriek van ten Cate verhard werd, was de naam dan ook snel gevonden. De Heetkampsweg begint op de Vinckenweg en eindigt op de Langeveenseweg. Juist bij de brug over de Molenbeek en in de directe omgeving van waar de Nordmeule stond. De molens verdwenen in de dertiger jaren. De beek slingert nog door het landschap. Zo op het oog onbeduidend, maar wel een met een lange geschiedenis.


Over deze molen valt het volgende te lezen in de Nederlandse Molendatabase

Database Nr    714
Naam           De Verdermolen/De Vermolen
Ligging        ruim 1 km ten westen van de Nordmeule
Locatie        RD X 245307 Y 494800 
               N 52.433537 O 6.715167 
Plaats         Geesteren
Gemeente       Tubbergen
Provincie      Overijssel
Bouwjaar       1323
Verdwenen      1930 afgebroken
Type           Onderslag Watermolen
Aandrijving    Watermolen
Categorie      verdwenen
Functie        Oliemolen


Geschiedenis

De oliemolen 'Vermolen' ligt ruim 1 km beneden de Nordemeule. 
Het lijkt onvoorstelbaar dat zo'n molen, die in nauwelijks tien jaren van werkende molen tot volledige ruine verviel, 
een geschiedenis had van zes eeuwen en wel vanaf 1323 tot 1922, het laatste jaar waarin hij werkte. 
Toen was dat al moeilijk; de molen verzakte, het beekwater sleep steeds grote gaten onder het op palen staande gebouw uit. 
Afbraak in 1930 betekende dan ook slechts het opruimen van wat houtwerk. Alleen de kollergang bleef staan.
Toch was dit eens een grote, sterke molen. Vooral in de laatste halve eeuw, toen in de verre omtrek geen oliemolen meer werkte, 
kwamen de klanten met hun raap- en knolzaad uit heel Twente, zelfs uit veraf liggende plaatsen als Ommen, Coevorden en Hardenberg.

Informatie van Frans Kerstens


Aanvullingen

Wat er van de molen nog over is, is een kollergang in het dorp.
De kollergang van de Oliemolen
Foto: P. Grund
Persoonlijke instellingen